Sienis – 2010


Snoeiproject 2010 - Sienis Geurts

Verslag snoeiwerk hoogstam appel- en perenbomen voorjaar 2010.

Allereerst is het voor het snoeien van de bomen van belang om duidelijk te krijgen hoe dat iedere afzonderlijke boom heeft gereageerd op het snoeiwerk van het afgelopen jaar.

Bij de meeste appelbomen was ten tijde van de snoei in 2009 een te laag groeiniveau aanwezig. Hier heb ik op ingespeeld door de betreffende bomen fiks in te snoeien, de opgaande gesteltakken zijn sterk ingesnoeid en de meeste overbodige takken zijn weggenomen.

De meeste appelbomen hebben hierop gereageerd met fiks wat groei.

Er is een verschil tussen de diverse appel- en perenrassen wat betreft de gevoeligheid voor vruchtboomkanker. Sterk gevoelig voor vruchtboomkanker zijn o.a. de appelrassen Goudreinette, James Greeves, Engelsche Bellefleur, Elstar en de perenrassen Doyenne du Comice en  Conférence.

Door een aantal maatregelen kan men de aantasting van gevoelige rassen beperken, o.a. door het kiezen van een juiste standplaats van deze rassen, te kiezen of zorgen voor een goed water  doorlatende bodem, en zeker door een “schone” boomgaard of tuin te hebben.
Schoon wil in dit geval zeggen dat het beter is om snoeihout waar aantastingen van vruchtboomkanker in voorkomen, af te voeren of te versnipperen danwel te verbranden.
Van op de bodem liggend versnipperd snoeihout gaan zo goed als geen nieuwe besmettingen uit omdat deze restanten behoorlijk snel vervallen in de bodem, van snoeihout welke op houtwallen of zgn. takkenrillen wordt geplaatst in of aan de rand van de boomgaard zeker wel.
Houtwallen en takkenrillen in de boomgaard vormen bronnen van besmetting en aantasting door o.a. vruchtboomkanker, bacterievuur, ook wel perenvuur genoemd en vormen tevens uitvalplaatsen voor oa. de fruitmot en de perenprachtkever.
De perenbomen heb ik verleden jaar erg kort ingesnoeid omdat er onvoldoende geschikte opgaande gesteltakken voorhanden waren.

De meeste bomen hebben hierop goed gereageerd enwel door het aanmaken van een fiks aantal hard opgroeiende scheuten.

Van deze scheuten heb ik er een aantal geselecteerd om de kroon mee op te bouwen en ik heb deze scheuten ingekort tot zon 10 à 15 cm en net boven een buitenoog doorgeknipt. Bij rassen welke een “hangende”groeiwijze hebben wordt boven een binnenoog doorgeknipt.

Bij de perenbomen welke verleden jaar al een aantal geschikte gesteltakken aanwezig was, heb ik de verlengenis op de opgaande gesteltak wederom ingesnoeid tot op zo’n 10 cm.

Ook hier zijn dwars door de kroon heen groeiende takken weggenomen en bij de horizontaal groeiende takken zijn de doorgezakte takken doorgeknipt op dat punt waar deze door het horizontale zijn heen gezakt. Als het groeipunt van een tak lager komt te liggen dan het inplantingspunt van de betreffende  tak dan neemt de lengtegroei van deze tak sterk af of stopt in sommige gevallen geheel. Dit is ook de reden waarom we bij jonge bomen de vruchten aan de horizontale takken grotendeels wegnemen. Deze vruchten zorgen er bij het uitgroeien voor dat de horizontale tak door de gewichtsbelasting gaat doorzakken of zelfs loodrecht naar beneden gaat hangen waardoor de groei van deze tak weg valt.

In het midden van de boom en aan de dikkere takken kunnen uiteraard wel vruchten blijven hangen.

Einde verslag snoeiwerk 2010